Recidive meten? Wat meet je dan?

Moria heeft geen recidivecijfers paraat. Niet alleen omdat die wel eens tegen zouden kunnen vallen. Maar vooral omdat aandacht voor recidivecijfers een eigen werkelijkheid creëert.

Die methode van Moria, werkt het? Het lijkt een simpele vraag, maar het opent een heikele kwestie, blijkt in gesprek met directeur André Stuart.

Gaat het goed? Oftewel: gaat het niet fout?

Als je wilt weten of Moria werkt, wil je weten of het ook daadwerkelijk goed gaat met de jongens die er hebben gewoond en daarna buitenshuis zijn begeleid. Bij ex-delinquenten wordt ‘goed gaan’ doorgaans uitgedrukt in ‘niet de fout ingaan’: recidive.

Landelijk valt zo’n zeventig procent van de delinquenten binnen vijf jaar terug in crimineel gedrag. Het merendeel recidiveert zelfs binnen de eerste 48 uur na vrijlating. (Bron). Dat zijn schrikbarende gegevens. Soms wordt daarbij vermeld dat zo’n tachtig procent van de delinquenten psychische problemen heeft.

Moria houdt na afloop van een traject vaak contact met oud-deelnemers, via een persoonlijk begeleider. Maar er is geen structureel contact, zeker geen zes jaar lang, met oud-bewoners en omringende instanties. Dat maakt het al moeilijk om iets te zeggen over de recidive van jongens van Moria, volgens de gangbare definitie: binnen zes jaar na een straf opnieuw een strafbaar feit plegen.

Maar dat is een technische kwestie. In wezen zijn er drie redenen om geen recidivecijfers paraat te hebben: een emotionele, een praktische en een principiële.

De eerste heeft te maken met de kwetsbaarheid van dit werk en van de doelgroep. Veel jongens kampen met een combinatie van problemen die daadwerkelijke verandering moeilijk maakt: verstandelijke of psychische beperkingen, schulden, verslavingen, verstoorde verhoudingen met familie en vrienden, beperkte opleiding, enzovoorts. ‘Het gaat gewoon ook vaak mis’, zegt een begeleider in de wandelgangen, ‘en dat doet zeer’.

Recidive meten creëert een eigen werkelijkheid

De tweede, praktische reden heeft te maken met het meten van recidive zelf. André Stuart: ‘Wat meet je? En wat is het effect van het meten? Je kunt iets meten op resultaat en proces, maar alleen als het resultaat heel helder is, zoals bij het bakken van koekjes of het opmeten van een huis.’

De Groningse bedrijfsethicus Berend van der Kolk schreef er eerder dit jaar een helder stuk over op de website sociale vraagstukken.nl. Mensen in organisaties passen hun gedrag aan op wat er wordt gemeten, beweert hij. Het geeft de leiding een gevoel van controle, maar zorgt ook voor cynisme op de werkvloer.

‘Daar zijn tal van voorbeelden van’, zegt Stuart, ‘zoals de publicatiedrang op universiteiten en de verzonnen onderzoeken van Diederik Stapel. Of van scholen die probleemleerlingen weigeren om de CITO-score van de school te beschermen.’

Moria wordt niet afgerekend op recidive, maar op afgeronde trajecten. Daarin wordt een zorgplan opgesteld, met doelen op het gebied van motivatie, opleiding, schuldsanering, werk enzovoorts. ‘Dat zegt iets’, zegt Stuart. ‘Maar het zegt weer niet veel over hoe het met iemand gaat als hij weggaat, en of het goed blijft gaan.’

Moria’s oerdefinitie van kwaliteit:
‘Elke dag dat een jongen hier is, is winst’

Een derde reden voor Moria om geen recidivecijfers paraat te hebben is een principiële. Stuart: ‘Wat wij hier doen is ingewikkeld. Iedere jongen is uniek en het hangt van zoveel factoren af of hij slaagt. En wat is geslaagd zijn? Als een jongen gelukkig is? Of als hij niet meer de fout ingaat?’

‘En wat is mislukt? Een jongen die nog één keer een fout maakt en daarna de weg omhoog voortzet, geldt in de statistieken als mislukt. Een jongen die werkloos zit te blowen op een kamer, maar nooit meer wordt opgepakt, geldt als geslaagd.’

Daar komt bij dat hoge cijfers schrik of verontwaardiging oproepen bij het grote publiek. Maar de cijfers zeggen niets over de maatschappelijke werkelijkheid van veel ex-delinquenten. Zoals Danny, die vuilnisman wil zijn, maar gedwongen thuis zit en hardop de vraag stelt: ‘Wat willen ze dan dat ik doe?’

Stuart: ‘Een jongen komt binnen en gaat weer weg – wat is er in de tussentijd getransformeerd? Daar zou ik best wat meer over willen weten. Maar hoe meet je zulke resultaten? Eigenlijk zou je dat moeten bespreken met stakeholders bij een jongen: mensen met directe betrokkenheid of belang bij hem: familie, vrienden, school, huisarts…’

 

2017-06-23T11:38:59+01:00 27 augustus, 2014|Blog|2 Comments

2 Reacties

  1. Said Tahri 6 september 2014 om 20:15 - Reageer

    Ik vind de nuance m.b.t. het procentueel denken over recidive cijfers weloverwogen en correct gemaakt Als persoonlijk begeleider binnen Stichting Moria en hiervoor sociotherapeut binnen de Pompekliniek in Nijmegen en Zeeland heb ik inderdaad ervaren dat cijfers niet altijd de waarheid spreken. Wat is het uiteindelijk doel vraag ik me altijd af? Willen we aan het einde van de rit alleen mooie cijfers waar de basis in zekere zin onstabiel is? Of gaan we juist voor het leveren van maatwerk, waar ruimte is voor het ontdekken van je eigen ik, ruimte is voor het maken van fouten dit zonder direct afgeserveerd te worden? Cijfers zijn voor mijn als persoonlijk begeleider niet zo interessant. Denk wel dat wij als professionals vaker op de voorgrond moeten optreden om te laten zien dat cijfers niet altijd even veelzeggend zijn. Cijfers dienen vorm gegeven te worden door verhalen uit de praktijk. Zoals André beschrijft in het kopje ‘en wat is mislukt’ zijn er naar mijn mening te veel van dit soort scheve statistieken die een verkeerd beeld geven van de werkelijkheid.

  2. Reynaldo Adames 2 november 2014 om 12:52 - Reageer

    ‘En wat is mislukt? Een jongen die nog één keer een fout maakt en daarna de weg omhoog voortzet, geldt in de statistieken als mislukt. Een jongen die werkloos zit te blowen op een kamer, maar nooit meer wordt opgepakt, geldt als geslaagd.’

    Mooi voorbeeld dat laat zien dat we niet altijd op statistieken kunnen bouwen.

    Mijn complimenten voor deze website!!

Reageer